Droomwereld
Als klein jongetje wilde ik altijd maar 1 ding: winnen. Talloze keren eindigde een ritje met schoolkameraadjes dan ook in een sprintje, die ik regelmatig op mijn naam wist te zetten. Overigens was ik niet eens zo kritisch, want ook als ik er alleen op uit ging, zag ik in het meeste straatmeubilair wel een mogelijkheid om de sprint, tegen mezelf welteverstaan, aan te gaan en logischerwijs te winnen. Ik betrok dan gewoon een onschuldige automobilist in het spel en probeerde voor hem bij, bijvoorbeeld, de lantaarnpaal te zijn. Ongetwijfeld hoofdschuddend zal hij mijn overwinningsgebaren gade hebben geslagen.
Ik was er toen van overtuigd dat ik later, als groot wielrenner, het jong geleerde in de praktijk kon brengen. Langzaam wegzakkend in gedachten stelde ik me dan voor hoe ik naar een loodzware etappe in de Tour in de sprint iedereen klop kon geven. Zag ik dan tijdens zo’n dagdroom een straatlantaarn, dan voegde ik daad bij het woord en zette ik de sprint aan, onderwijl een groep woest briesende mannen achter me latend. Om de woorden van Hans Teeuwen te citeren: "Ik kan mezelf goed bezig houden." Helaas bleek de werkelijkheid hard. Ik had misschien best een redelijk renner kunnen worden, maar mijn fietsdromen vervaagden snel op latere leeftijd, geholpen door de hormonen. Toen ik veel te laat de draad weer oppakte, bleken mijn superbenen, waar ik gevoelsmatig over beschikte, niet (meer?) van het kaliber dat ik er ooit een wedstrijd mee zou kunnen winnen. Ondanks noeste trainingsarbeid blijf ik meer het type ‘hij-kan-best-leuk-fietsen-maar-een-echt-grote-wordt-het-nooit’.
De afgelopen 20 jaar is er voor mij op prestatiegebied dus weinig veranderd. Af en toe weet ik een fietsmaatje te kloppen, hetzij tijdens een trainingsritje in een één-tegen-één-sprint, hetzij door tijdens een cyclo als eerste over de finish te komen. Veelal is het echter vooral een rit tegen de klok en dus tegen mezelf. Ik heb me daar inmiddels bij neergelegd. De drie zoenen van de knappe rondemis en de fles champagne die ik over haar en het talrijke publiek leeg mag spuiten, zullen wel altijd alleen in mijn gedachten blijven bestaan.
Soms, heel soms, dan dwaal ik net als toen af in mijn gedachten. Mijn nieuwe fietscomputer kent namelijk mogelijkheid van een ‘virtuele partner’. Deze kan ik op een door mij ingestelde snelheid over een door mij bedacht parcours jagen. Dat komt het beste in mij naar boven; dan wil ik winnen. Plaatsnaambordjes zijn er dan voor de tussensprints, viaducten voor de bergtrui. Tegen het einde demarreer ik. Mensen langs de kant veranderen in publiek, die me aanmoedigen als ik in de sprint mijn virtuele partner weet te kloppen. Dan moet ik me inhouden om niet, als ik bijna thuis de straat instuur, met twee handen omhoog, mijn vlekkeloze overwinning te vieren. Soms gebeurt het ook wel eens dat mijn fietscomputer aangeeft dat mijn ‘virtuele partner is gefinisht’, terwijl ik er nog niet ben. Dan telt het natuurlijk niet en is het maar een stomme, valspelende fietscomputer. Nee, in 20 jaar is er niet echt veel veranderd. In mijn eigen droomwereld is er namelijk maar één die elke keer wint, en dat ben ik.





