Droomwereld

Als klein jongetje wilde ik altijd maar 1 ding: winnen. Talloze keren eindigde een ritje met schoolkameraadjes dan ook in een sprintje, die ik regelmatig op mijn naam wist te zetten. Overigens was ik niet eens zo kritisch, want ook als ik er alleen op uit ging, zag ik in het meeste straatmeubilair wel een mogelijkheid om de sprint, tegen mezelf welteverstaan, aan te gaan en logischerwijs te winnen. Ik betrok dan gewoon een onschuldige automobilist in het spel en probeerde voor hem bij, bijvoorbeeld, de lantaarnpaal te zijn. Ongetwijfeld hoofdschuddend zal hij mijn overwinningsgebaren gade hebben geslagen.

Tdr5sprintIk was er toen van overtuigd dat ik later, als groot wielrenner, het jong geleerde in de praktijk kon brengen. Langzaam wegzakkend in gedachten stelde ik me dan voor hoe ik naar een loodzware etappe in de Tour in de sprint iedereen klop kon geven. Zag ik dan tijdens zo’n dagdroom een straatlantaarn, dan voegde ik daad bij het woord en zette ik de sprint aan, onderwijl een groep woest briesende mannen achter me latend. Om de woorden van Hans Teeuwen te citeren: "Ik kan mezelf goed bezig houden." Helaas bleek de werkelijkheid hard. Ik had misschien best een redelijk renner kunnen worden, maar mijn fietsdromen vervaagden snel op latere leeftijd, geholpen door de hormonen. Toen ik veel te laat de draad weer oppakte, bleken mijn superbenen, waar ik gevoelsmatig over beschikte, niet (meer?) van het kaliber dat ik er ooit een wedstrijd mee zou kunnen winnen. Ondanks noeste trainingsarbeid blijf ik meer het type ‘hij-kan-best-leuk-fietsen-maar-een-echt-grote-wordt-het-nooit’.

De afgelopen 20 jaar is er voor mij op prestatiegebied dus weinig veranderd. Af en toe weet ik een fietsmaatje te kloppen, hetzij tijdens een trainingsritje in een één-tegen-één-sprint, hetzij door tijdens een cyclo als eerste over de finish te komen. Veelal is het echter vooral een rit tegen de klok en dus tegen mezelf. Ik heb me daar inmiddels bij neergelegd. De drie zoenen van de knappe rondemis en de fles champagne die ik over haar en het talrijke publiek leeg mag spuiten, zullen wel altijd alleen in mijn gedachten blijven bestaan.

Soms, heel soms, dan dwaal ik net als toen af in mijn gedachten. Mijn nieuwe fietscomputer kent namelijk mogelijkheid van een ‘virtuele partner’. Deze kan ik op een door mij ingestelde snelheid over een door mij bedacht parcours jagen. Dat komt het beste in mij naar boven; dan wil ik winnen. Plaatsnaambordjes zijn er dan voor de tussensprints, viaducten voor de bergtrui. Tegen het einde demarreer ik. Mensen langs de kant veranderen in publiek, die me aanmoedigen als ik in de sprint mijn virtuele partner weet te kloppen. Dan moet ik me inhouden om niet, als ik bijna thuis de straat instuur, met twee handen omhoog, mijn vlekkeloze overwinning te vieren. Soms gebeurt het ook wel eens dat mijn fietscomputer aangeeft dat mijn ‘virtuele partner is gefinisht’, terwijl ik er nog niet ben. Dan telt het natuurlijk niet en is het maar een stomme, valspelende fietscomputer. Nee, in 20 jaar is er niet echt veel veranderd. In mijn eigen droomwereld is er namelijk maar één die elke keer wint, en dat ben ik.

Aanvaring

Het is ergens op een koude ochtend in januari, ik denk 2002, als ik met Marcel en nog 2 fietsmaten afreis met de mountainbikes achterop naar het prachtige parcours in Schoorl. Op dit vroege tijdstip is er zaterdags weinig verkeer en de reis van 130 kilometer verloopt dan ook voorspoedig. Eenmaal in Noord-Holland wordt het drukker op de weg en er komen enkele auto’s tussen Marcel, die voor me rijd, en mij in. Bij Langedijk, waar de autoweg ophoud, is de rij voor de verkeerslichten langer dan verwacht en daardoor moet ik wat harder remmen om op tijd stil te staan. Toch heb ik nog wel 5 meter speling op mijn voorligger als ik stilsta. De dame achter mij, in haar groene Citroën Berlingo blijkt niet één van de meest oplettende soort en in mijn binnenspiegel zie ik haar verschrikt kijken als ze me al te dicht genaderd is. Ze remt krachtig, ik hoor de piepende banden, ik probeer nog wat naar voren te rijden ten einde een aanrijding te voorkomen, maar het is te laat. Met een luid gekraak worstelt het kunststof van haar bumper zich in mijn fietsendrager. Als het stil wordt, kijk ik Ronald aan die naast me zit. En nu?

"Rustig blijven", weet ik me te herinneren van het schadeformulier en "vooral niet kwaad worden". Ik stap uit om de schade te bekijken. De dame staat inmiddels te kijken en nog voor ik een woord heb kunnen zeggen, roept ze luidkeels: "Remde jij nu zo hard?!!?!" Normaal ben ik niet op mijn mondje gevallen en heb dus ook altijd weerwoord, maar de schrik zit nog diep in mijn benen en veel meer dan iets gestamel over een schadeformulier komt er niet uit mijn mond. "Hier heb ik geen tijd voor, hoor", gaat ze verder. "Je hebt toch geen schade, zal ik maar gaan?" Ik bekijk mijn kromgedrukte fietsendragers. Gelukkig zijn fietsen en auto’s nog smetteloos. Langzaam hervind ik mijn positieven en meld haar dat ze maar even rustig moet blijven en dat ík zeker niet de veroorzaker ben. Ongeduldig staat ze te kijken als ik met trillende hand het schadeformulier invul. Snel zet ze haar handtekening en nog voor ik weer in de auto zit, rijd ze met een hoop gas weg. "Ik heb het kenteken ook maar even opgeschreven", meldt Ronald als ik de wagen start. Ik baal, want daar had ik niet aan gedacht. Met de gedachten nog bij het zojuist gebeurde, rijd ik behoedzaam de laatste kilometers naar de start in Schoorl, waar Marcel me opwacht. "Waar was je?", vraag hij. Ik leg hem uit wat er is gebeurd en als ik even later mijn fiets van de drager afhaal, zie ik dat mijn hand nog steeds trilt. De rit die volgt is er eentje om snel te vergeten en een paar uur later ben ik vooral blij dat ik weer heelhuids thuis ben.

Normaal laat ik mijn fietsplezier niet bederven door zo’n voorval. Zeker omdat er in feite niets gebeurd was; de fietsendrager was zo weer recht getrokken. Toch heb ik het twee keer eerder meegemaakt dat een aanvaring mijn motivatie om verder te trainen als sneeuw voor de zon liet verdwijnen. In beide gevallen gebeurde het vlak bij mijn huis en in beide gevallen betrof het iemand die "een hekel had aan wielrenners" en dat met zijn boerenverstand een legitieme reden vond om mij letterlijk van de fiets te rijden. Ook hier kwam ik zelf zonder kleerscheuren uit het gebeurde, maar het was vooral de reactie van de aanvaarders die er voor zorgden dat ik binnen een kwartier er na besloot het stuur om te draaien en terug te gaan naar huis. Als de gedachten niet 100 procent helder zijn, dan is de concentratie onvoldoende om fatsoenlijk te trainen en waar meestal het fietsen mijn gedachten op nul zet, werd het malen nu alleen maar erger en dus was het gewoonweg het verstandigst om terug te keren en de training te laten voor wat het was.

Pistes_bagnolables

De afgelopen jaren ben ik gelukkig gevrijwaard gebleven van dit soort aanvaringen. Uiteraard hebben zich kleine voorvalletjes voorgedaan, hetzij door een domme actie van een ander, hetzij door een nog dommere actie van mezelf, die de gemoederen kort maar krachtig liet verhitten. Toch was er geen van dusdanige aard, dat ik het langer dan 5 minuten bij me heb gedragen, simpelweg omdat ik mijn fietstijd te kostbaar vind om me lang druk te maken om iets wat verder geen gevolgen heeft gehad. En mocht ik ooit op een zaterdagmorgen weer betrokken raken bij een aanrijding, iets wat ik hoop dat nooit weer gebeurt, dan hoop ik de tegenwoordigheid van geest en de rust mag hebben om alles fatsoenlijk af te handelen en ondertussen met mijn gedachten al te zijn bij de rit die nog gaat komen, zodat ik mijn hoofd weer leeg kan fietsen. Volgens mij was het namelijk die zaterdag in januari 2002 prachtig fietsweer en nog altijd baal ik dat ik daar niet van heb kunnen genieten. Dat overkomt me dus écht niet weer.

Kortkoppen

Een man is zojuist kwaad op mij geworden. En dit keer niet omdat ik hem met de racefiets heb afgesneden. Of omdat hij mij heeft afgesneden en ik daarop met de mij bekende manier op heb gereageerd. Nee, dit keer was het om iets anders. Het was maart, 2 jaar geleden. Een koude Oostenwind woei over de kale Friese landen. Wel scheen de zon volop en ondanks een temperatuur van enkele graden boven nul, was het aangenaam. Ik deed een krachttraining en in de laatste sessie reed ik lek, mijn voorband. Ik zocht een plekje op, een beetje uit de wind en in de zon en gooide de fiets ondersteboven. Op het moment dat ik het voorwiel losmaak, stopt een auto. Een oudere man, ik schat tegen de 70 stapt uit en loopt naar me toe. In het Fries, wat ik voor jullie zal vertalen, zegt hij: “Kom, het is veel te koud om hier buiten banden staan te plakken. We leggen je fiets achter in de kofferbak en ik breng je thuis. Kom.” Verbaasd door zoveel goedheid, meld ik dat het écht niet nodig is. “Binnen vijf minuten fiets ik weer”, vertel ik hem. “Laat mij maar even rustig bandje wisselen, als ik bezig ben, word ik niet koud.” De beste man was niet te overreden en werd kwaad toen ik niet op zijn voorstel inging. Hoofdschuddend en met veel gas reed hij vol onbegrip weg. Ik was ondertussen bijna klaar met de bandreparatie.

Ik kom een uit een gebied in Friesland waar men bekend staat dat ze “kort voor de kop” zijn. Via e-mail leerde ik dat het niet uniek is, ook in de rest van Nederland zijn genoeg “kortkoppen”. De beste man die mij zijn hulp aanbood en ogenschijnlijk kwaad wegreed, was het waarschijnlijk 5 minuten later al helemaal weer vergeten; het voordeel als je geen dingen opkropt. Toch kan deze snelle actie-reactie ook verkeerd worden begrepen, en voor je het weet heb je jezelf als kortkop in de problemen gewerkt.

Donald Zelf ben ik dus ook een ‘kortkop’, dat geef ik zondermeer toe. Ik reageer eerst en denk vervolgens pas na. Ik kan dus kortstondig heel erg kwaad worden, volledig overdreven reageren en het 10 minuten later gewoon niet meer weten. Een automobilist die mij afsnijdt, bejaarden die het fietspad blokkeren, een boer die met zijn trekker de halve weg heeft besmeurd, een beleidsambtenaar die een onnozele bocht heeft bedacht in een fietspad die met een racefiets niet fatsoenlijk te nemen is, een vrachtwagen die bij het oprijden de weg blokkeert. Simpele dingen die mijn hartslag snel kunnen laten stijgen. En waarom? Dat weet ik dus niet. Losstaand zijn het zaken waarvan je nu niet zult zeggen dat ik me er kwaad om moet maken en meestal zeg ik dat achteraf ook tegen mezelf. Helaas denk ik er op dat moment niet zo over. De ratio wint het op dat moment bij mij niet altijd.

Is het altijd verkeerd om je direct te uiten? Volgens mij niet. Per saldo heb ik weinig last van stress. Ik voel mij er dus best goed bij en ik zie mijn karakter op korte termijn ook niet snel veranderen. Het grote voordeel is dat ik begrijp en begrepen wordt, als iemand tegen mij uitvalt en als ik mezelf iets te overdreven uit. Zo snapte ik prima dat de oude man zich kwaad maakte dat ik zijn aanbod afsloeg. Ik maakte me er wel even druk om dat hij zich kwaad maakte, maar was het, zoals een goede kortkop betaamt, vergeten toen ik eenmaal weer op de fiets zat. We zijn kort voor de kop, maar vergeten het voorval daardoor snel. Er zijn een hoop mensen die daar een goed voorbeeld aan kunnen nemen. Of zouden zij zich gewoon niet zo druk maken? Misschien dat ik dáár dan een goed voorbeeld aan zou kunnen nemen, dan wordt het uiteindelijk weer een stukje rustiger op de weg. Voor zolang ik het volhoud, tenminste.

Saai

Ik vind mijzelf een bevoorrecht mens. Ik heb een leuke baan, met voldoende verdienste voor het klassieke huisje-fietsje-beestje (ik hou niet zo van bomen) en ik heb voldoende vrije tijd om mijn hobby’s te kunnen uitoefenen. Hierdoor kom ik vaak op de meest bijzondere plekken. Zo fietste ik door de eeuwige sneeuw op de hoogste bergen, ik heb de zon op zien komen boven ruime velden in Friesland, ik heb genoten van de weidse vergezichten in Frankrijk. Mijn benen brengen me overal waar ik maar heen wil gaan. Kan je je voorstellen dat ik me dan een bevoorrecht mens voel?

Leeuwarden_achmeatoren "Ik vind je wel saai, hoor", zei een vrouwelijke collega een aantal jaren terug tegen mij, toen ik haar vertelde wat mijn passie is. "Daar is toch niets aan? Elke zaterdag en zondag vroeg gaan fietsen? Dat is toch altijd hetzelfde?" Haar stem klonk onbegrepen. Ik probeerde haar uit te leggen dat trainen niet slechts een noodzakelijk kwaad is om mijn doelen te kunnen bereiken, maar dat elke rit een eigen schoonheid heeft. Niet allemaal en niet altijd, maar meestal wel. De boodschap kwam niet over. "Maar je zit nooit eens gezellig in de kroeg?", ging ze verder. "Ik zit elk weekend met mijn vriend in de kroeg en dat is zo gezellig. We maken het altijd laat en dan op zondag slapen we de hele dag uit". Nu kwam het onbegrip bij mij naar boven. Zij vond mij saai, maar zij kwam elk weekend niet verder dan de kroeg en het uitzieken in de woonkamer. Ik probeerde haar te overtuigen, zij vond dat ik meer onder de mensen moest kwamen. Twee werelden en logischerwijs kwamen we niet tot overeenstemming. Maar wie van ons tweeën is nu saai? Is het saai als je je weekenden grotendeels opvult met fietsen? 2 uur, 3 uur, soms 5 uren lang alleen fietsen op plekken die niet voor niets eenzaam en verlaten zijn. Ik vind het niet saai, zoals ik al zei, ik voel mij veel eerder bevoorrecht. Ik zie zoveel, ik hoor de geluiden, ik ruik de buitenlucht en ik voel de zon in mijn gelaat. Wind, regen en/of kou zijn meestal geen last maar brengen een extra dimensie. Als toetje kan ik dan een aantal keren per jaar meedoen aan grote evenementen of tijdens vakanties een paar grote cols onder me door laten gaan. Ik zou fietsen dus zeker niet ‘saai’ willen noemen, eerder bijzonder.

Bijzonder vind ik het als ik in de bergen fiets en na een haarspeldbocht de weg zie die zojuist heb gereden; waar ik vandaan komt lijkt dan zover weg. Of als ik ergens uit Zuidwest-Friesland kom en ik op een heldere dag de Achmea-toren in Leeuwarden op misschien wel 30 kilometer of meer al kan zien, om er vervolgens een uurtje later langs te fietsen. Beide zijn voorbeelden van momenten dat ik kan genieten van de prestaties van mijn eigen lichaam. Er zijn momenten genoeg geweest in mijn leven, dat ik opzag tegen 500 meter wandelen en nu fiets ik relatief probleemloos een paar honderd kilometer, eventueel met een paar duizend hoogtemeters. Dat vind ik bijzonder. Objectief bekeken kan je het ‘saai’ noemen: urenlang dezelfde cyclische beweging, zonder dat je iemand spreekt, door een landschap wat traag aan je voorbij trekt. Vanuit mezelf bekeken zie ik echter een omgeving die elke meter dat ik trap anders wordt. Ik vind mijzelf dus een bevoorrecht mens dat ik dat kan, en dat ik de mogelijkheid heb om dat te kunnen doen.

Sommigen zullen mijn leven saai vinden, anderen niet. De eerste groep heeft waarschijnlijk nog nooit op een racefiets gezeten, terwijl de tweede groep zich herkent in het voorstaande verhaal en wellicht de gedachten laat afdwalen naar een soortgelijk moment van henzelf. Is mijn leven saai? Ik kan mijn leven nauwelijks meer voorstellen zonder het fietsen en terugkijkend op mijn racefietsloze periode kan ik alleen maar concluderen dat mijn huidige leven een stuk rijker is. Wie er dan toch anders over denkt, raad ik aan om eens te gaan fietsen. Zelfs al vind je dat saai, het is in elk geval een stuk gezonder dan elk weekend in de kroeg te hangen. Eigenlijk maakt het me ook niet uit wat anderen vinden. Ik pak weer gewoon de fiets en ik hoop dat ik me nog heel lang bevoorrecht mag voelen.

De Leilinde

Fietsen is een perfecte manier om even tot jezelf te komen. "Geestelijke ontspanning door lichamelijk inspanning", is een spreuk die ik me herinner van een jeugdhonk van vroeger waar ik veel kwam. Een beetje serieus fietsen vergt een bepaalde mate van concentratie en daardoor fiets je als ware je hoofd helemaal leeg. Je hoeft niet zoveel te doen op een fiets, je kan trouwens ook niet zoveel, slechts wat letten op het verkeer en onderwijl je harstlag in de gaten houden. Bij een kruising zal je even moeten nadenken: "Links, rechts, rechtdoor?" Met je hoofd in de wind, kan je je gedachten op een rij zetten, de dagelijkse beslommeringen van je af laten vallen en maak je je geen seconde druk om de dingen die, slechts kort geleden, op het werk nog zo belangrijk leken. Anderhalf, twee uur sporten en je komt ontspannen met een helder hoofd weer thuis.

Meestal let ik dus nergens op maar probeer ik te genieten, als het weer het toelaat, van de omgeving. Toch heb ik sinds vorig jaar een tic: de Leilinde. Al fietsend door een dorpje, ergens in Oost-Friesland, zag ik hoe een hovenier bezig was met het installeren en prepareren van een drietal Lindebomen, teneinde zo een Leilinde te creeëren. Ik lette er niet op, ik zag het, gaf het aanschouwde een plekje in mijn geheugen en fietste verder. Precies op het moment dat die gedachte aan het overgaan was van mijn korte- naar mijn langetermijngeheugen, viel mijn oog op alweer een vers aangeplante Leilinde: ik begon erop te letten. Nu is het zo, dat als je ergens op begint te letten, het pas opvalt hoe vaak bepaalde dingen voorkomen. Wie onlangs een zilvergrijze auto heeft aangeschaft, zal kunnen beamen dat het lastig kan zijn om een auto van die kleur terug te vinden op een parkeerterrein of in een parkeergarage. Om je heen kijkend, valt het pas op hoeveel auto’s er eigenlijk zilvergrijs gekleurd zijn. Dat heb ik dus met Leilindes: waar ik ook fiets, overal tref ik de aan elkaar geknoopte bomen aan, die bedoeld zijn als natuurlijk zonnescherm. Vers aangeplant of oudere bomen: de Leilinde is overal.

In de Leeuwarder Courant las ik op een zaterdagmorgen, voordat ik wilde gaan trainen, een stukje over de Leilinde. De Leilinde is hip: om het huis tegen de zon te beschermen worden op veel plaatsen Leilindes als natuurlijke zonwering geplaatst. Het verhaal ging verder, over de methodiek, de "Do’s & Don’ts" bij de aanleg (en dan vooral de plaats ervan) en er stonden een paar kleine voorbeeldfoto’s bij. Het meeste wonderlijke van het stukje van de tekst ging over de actiecomité "Bevrijd de Leilinde". Dit actiecomité maakt zich sterk om de Lindebomen te bevrijden van het juk dat hoveniers ze hadden opgedrongen. Er stond een instructie bij over hoe je de boom zo kon snoeien, dat deze over een aantal jaren weer ‘gewoon’ op een Lindeboom ging lijken. Men vond dat je bomen niet zo’n onnatuurlijk vorm mag geven, maar dat een boom vrij moet kunnen groeien. Nu ben ik persoonlijk ben ik niet zo’n bomenliefhebber, dus ik snapte niet zo goed waarom ze zich zo druk maakten. Een boom met een functie, dat is toch het perfecte compromis? In plaats van een opzichtige kolos die niets anders doet dan veel licht tegenhouden, en als dank in de herfst je tuin vol gooit met bladeren, heb je nu een beschaafd groen bomenrijtje die de ergste zon keert. Ik zou ze bijna zelf willen, ware het niet dat mijn voortuin op het noorden ligt en de Leilinde dus geen functie zou hebben.

Leilinde

Maar goed, de Leilinde dus. Sinds ik weet dat er zoveel zijn, kan het in eerste aanleg ontspannend bedoelde ritje, veranderen in een heuse zoektocht, waarbij ik nerveus speurend en schichtig om me heen kijkend probeer een set Leilindes te ontwaren. "Daar. En daar!", schiet dan door mijn hoofd. Oude boerderijen, opgeknapte arbeidershuisjes net buiten het dorp en zelfs bij een doorsnee rijtjeswoning staan ze. Ik let erop, kijk hoe mooi (of lelijk) ze zijn en hoe goed ze zijn onderhouden. Ik let op de constructie waarlangs ze zijn geleid en kijk of ze op een logische plek staan. En dat allemaal in de paar seconden die ik nodig heb om er voorbij te fietsen. Veel langer mag het ook niet duren, want het duurt nooit lang voordat de volgende rij Leilindes zich aandient. Is er dan nog wel sprake van een ontspannend ritje? Jazeker wel, want het opmerken van Leilindes zorgt op zichzelf al voor een stukje ontspanning, net als vroeger toen ik in de auto naar Zuid-Frankrijk op de achterbank bepaalde kleuren auto’s zocht en telde: de tijd leek plots een stuk sneller te gaan. Uiteindelijk ben ik over dat stukje vermaak heen gegroeid dus ik denk dat, als de Leilindeaanplantwoede over het hoogtepunt heen is, ook aan mijn zoektocht naar de geleide bomen langzaam een einde zal komen en ik nergens meer op hoef te letten als ik het asfalt onder mijn wielen door laat gaan. Zolang het duurt, natuurlijk, want er is vast een moment dat ik weer wat nieuws ontdek wat me bezig houdt. Vast en zeker.

29

"29", zei ze. Ze draaide zich om en liep langzaam naar de uitgang. Net voordat ze naar buiten liep, keek ze me nog één keer aan en liet me alleen achter. Met een glimlach van oor tot oor dronk ik mijn laatste biertje. Het was december 1996, een koude en regenachtige nacht, ik voelde me ongelukkig en was die avond vroeg naar een kroeg bij ons in het dorp gegaan. Een avondje wat drinken in de bar zou me goed doen, dacht ik. Eenmaal binnen nam ik plaats op een kruk en bestelde 2 biertjes. "Ik hoef niet, hoor", zei de man op de kruk naast me. "Ze waren ook allebei voor mijzelf bedoeld", antwoordde ik hem. Ik pakte mijn 2 biertjes, goot ze in één keer achterover en bestelde 2 nieuwe. Eén ding was zeker: aan het einde van de avond zou mijn gevoel van misbehagen voor even verleden tijd zijn. Naarmate de avond vorderde raakte ik in gesprek met een meisje. Ze was met hetzelfde doel als ik gekomen en het klikte daardoor tussen ons. De avond was daardoor veel te snel voorbij en toen het tijd was om te gaan, gaf ze mij haar telefoonnummer. "Bel je me?", vroeg ze. "Ga ik doen", antwoordde ik. "Hoe heet je eigenlijk?", vroeg ik. "Hildegard", zei ze. Ik herhaalde haar naam…"Hildegard", het klonk zo mooi, bijna melodieus, in de roes waarin ik zat. Nadat we afscheid hadden genomen en ze aanstalten maakte om te gaan, wist ik nog net te vragen hoe oud ze eigenlijk was. "29", zei ze. En ze ging.

Het is nooit wat geworden tussen ons. In december 1996 was ik net 21, te jong en te onervaren. We hebben nog wel een paar keer gebeld, maar de klik van die avond was er niet meer. Ik heb haar nooit meer gezien. Toch blijft die bewuste avond helder in mijn gedachten staan, zeker nu het weer december is en de weersomstandigheden gelijk zijn. De les die ik er later uit leerde was, dat als de omstandigheden juist zijn, er van alles kan gebeuren, zelfs als je dat niet verwacht: ooit komt er een moment dat alle tegenslagen kan doen vergeten. Ik had toen niet verwacht dat de les van die avond in mijn latere wielerleven nog zo zijn nut ging bewijzen.

Ik ken Marcel uit die tijd. Allebei vertoonden we toen postpuberaal gedraag en waren daardoor vriendinloos, al zagen we daar zelf meer een complot in van de wereld tegen ons. Ons uitzichtloze bestaan bedronken we ‘s avonds met een biertje voor een B-film of een uitzending van Beavis & Butthead op MTV. "Wanneer heb je ooit gewonnen van het leven?", vroeg Marcel me ooit toen ik hem belde. Ik faxte Marcel soms deprimerende verhalen die zo zwart waren, dat de letters nauwelijks leesbaar waren. Depressie en een levenslang vrijgezellenbestaan lagen op de loer. Toch is het met ons allebei redelijk goed gekomen, geholpen door ons latere wielerleven: Marcel begon te fietsen en niet veel later kreeg hij een vriendin, wat hem hielp een doel te hervinden in zijn leven. Ik volgde niet veel later door ook het wielrennen weer op te pakken en ook mijn leven werd een half jaar later verrijkt met een lieve vriendin. Onze depri-avonden zijn sinds die tijd voorbij en dat diepgrijze verleden ligt inmiddels ver achter ons, allebei. Het wielrennen in ons leven zorgde ervoor dat we braken met oude gewoontes en het zorgde voor een nieuwe band, want mede door het sporten zie ik Marcel regelmatig.

Ik was 29 toen ik voor het eerst ‘Goud’ haalde tijdens een cyclosportieve. Het fietsseizoen 2004 was er eentje met veel teleurstellingen, maar nadat Marcel me had gevraagd om mee te doen met de Marmotte in 2005, besloot ik toch weer toegewijd te gaan trainen. Eén ding was zeker: aan het einde van dat jaar zou ik in elk geval een leuk fietsseizoen achter de rug hebben, wat er ook ging gebeuren. Een na- en voorjaar met veel regen volgde, maar gedeelde smart was halve smart en ik wist dat één moment van vreugde al het afzien de moeite waard kon maken. Ik had niet al teveel verwachtingen toen ik aan de start stond: de laatste cyclo ging niet echt super, ondanks dat de vorm goed was. Als ik mijn doel zou halen, zou ik al meer dan tevreden zijn. Groot was dus ook mijn vreugde dat ik het haalde, ruimschoots zelfs. Net zo groot was mijn teleurstelling toen ik hoorde dat Marcel op het laatste moment had moeten afhaken vanwege zijn rug: terwijl ik aan het fietsen was, was hij op weg terug naar huis. Een weekje later zocht ik hem op en we praatten nog even na over de vakantie, onder het genot van een biertje. Toen ik aanstalten maakte om weer naar huis te gaan, vroeg Marcel: "Morgen maar weer even 2 uurtjes fietsen, een uur of 10 vertrekken?". Trainen, op weg naar een volgend doel, bleek eens temeer de beste remedie tegen teleurstelling. "10 uur, dat is prima", zei ik. En ik ging.

Zijwieltjes

Ik schreef ooit dat het fietsen voor mij een "schier onuitputtelijke bron van inspiratie" is. Dat is mooi (tenminste, daar ga ik vanuit) want daardoor is er altijd voldoende vulling voor mijn website, ondermeer in de vorm van deze column. Maar momenteel is er een probleem: ik kan niet fietsen. Op het moment dat ik deze column schrijf, al ruim 5 weken niet, en de trouwe lezer weet waarom. Dat is dus niet alleen slecht voor mijn conditie, maar ook voor mijn inspiratie. De effecten hiervan zijn overduidelijk: mijn dagboek is ineens gevuld met niet-fietsgerelateerde zaken in plaats van de vertrouwde motiverende fietsstukjes, en voor de column van november moest ik zelfs uitwijken naar de mogelijkheid van een repost. Wat brengt de maand december?

Als op 19 december, hopelijk, het gips van mijn linkerhand wordt gehaald, dan heb ik 8 weken en 2 dagen lang mijn linkerhand niet of nauwelijks kunnen gebruiken. Ik heb er al over gedroomd hoe de hand als zielig spierloos gevalletje, voorzien van een rimpelige en kurkdroge huid in de gipskamer tevoorschijn komt. Dat zal wel wat meevallen, maar het zal daarna zeker enige tijd duren, alvorens mijn hand weer helemaal de oude wordt. Collega "J" vertelde mij in geuren en kleuren hoe hij in 1979 zijn hand brak na een val met de fiets, hoe het (pijnlijk) gezet werd en vooral hoeveel pijn het deed toen het gips eraf kwam. "Ik ging bijna van mijn stokje", vertelde hij, onderwijl demonstrerend op mijn bureau hoe zijn rechterhand minder ver achterover wil buigen dan zijn linkerhand. Ik bedank hem de voor belangstelling, maar mijn vrees dat ik op 19 december voorlopig nog niet zal kunnen fietsen, is hierdoor wel toegenomen.

Een rondvraag over de werkvloer leerde mij dat botbreuken minder frequent zijn dan dat ik uit eigen ervaring dacht te weten. Op mijn vraag of ze wel eens iets gebroken hadden, antwoordden mijn overwegend veel oudere (en daardoor breukgevoeligere) collega’s steevast met "nee, hoor". Nu zijn mijn collega’s over het algemeen ook geen roekeloze "spring-in-’t-veld" types, maar ik vind mijzelf ook niet echt tot die groep behoren. Toch heb ik inmiddels 3 botbreuken op mijn conto staan, waarvan er 2 middels röntgen bewezen zijn. Je zou bijna zeggen dat ik een brekebeentje ben, of in elk geval iemand die het landelijk gemiddelde knap omhoog brengt. Mijn eerste botbreuk was toen ik een jaar of 15 was en onderuitging nadat ik met mijn skateboard (dat was toen hip!) in het grind belandde. Ik vond de pijn onvoorstelbaar en ik hoopte maar, dat ik nooit weer iets zou breken. Dat ging heel lang goed, totdat ik in april dit jaar onderuit schoof in de klei. Het nare gevoel van een gebroken bot, vergeet je nooit weer. Ik wist dus eigenlijk direct dat de boel kapot was en toen de EHBO-arts zei dat een "röntgenfoto overbodig zou zijn, omdat ze er toch niets aan konden doen", vond ik het ook wel prima. Ik had niet verwacht minder dan een half jaar later weer bij de EHBO in de wachtkamer te zitten.

Brokkenpiloot"De breuk van de Scaphoïd komt voornamelijk voor bij mannen van 20-30 jaar", las ik op internet, twee dagen na mijn val, ironisch genoeg op mijn 31e verjaardag. Voor diezelfde verjaardag hadden mijn collega’s, naar aanleiding van mijn val in april, het plan gevat om mij een paar zijwieltjes kado te doen. Helaas schopte ik hun plan in de war door nogmaals te duikelen, waardoor ze het eigenlijk niet aandurfden om mij zo’n kadootje te geven, bang dat het wel eens "verkeerd zou kunnen vallen". Toen ik vrijdags weer aan het werk was, en tegen mijn collega "S" zei dat het me wat tegen viel dat er geen zijwieltjes voor me klaar lagen (ik had ze namelijk wel verwacht), kwam collega "E" vergenoegd met de tweedehands wieltjes en een zelfgemaakt pamflet aanzetten. Tijdens de verplichte gebakronde werden over mijn jaar-met-buitelingen nog diverse grappen gemaakt. Een weekje later zat ik in het gips en verstomden de grappen, waarom weet ik niet. Wat mij betreft mocht er wel om gelachen worden, wat gelukkig inmiddels volop gebeurt. Als we een paar maand verder zijn en de herinnering aan het rode gipsverband langzaam wegzakt, hoop ik weer volop rond te toeren. En dan maar hopen dat ik me niet weer binnen het half jaar moet melden bij de EHBO, want dan moet ik misschien toch maar eens overwegen om de zijwieltjes te gaan monteren. In elk geval hebben die wieltjes er al wel voor gezorgd dat ik voor deze maand toch nog inspiratie had.

136064_2

Het Wielerslatijn (repost)

"18.000 kilometer per jaar". Tegenover mij zit een man, beginnend grijze haren, licht kalend. Zijn postuur past bij zijn leeftijd, die ik schat op tegen de 50. We zijn in gesprek geraakt nadat hij, mijn lengte inschattend, veronderstelde dat ik aan basketball zou doen. "Wielrennen", vertelde ik hem. "Hoeveel fiets je dan, zo gemiddeld in een jaar?" is zijn vervolgvraag. "Hangt er een beetje vanaf, meestal zo rond de 10.000 per jaar. En u?". "18.000 kilometer heb ik dit jaar gefietst. We gaan regelmatig op een zaterdag of zondag met een groepje fietsen. Lange tochten, toch wel zo’n 150 tot 200 kilometer." Op het moment van dit gesprek, is het begin december, en met een snelle rekensom van mijn kant beredeneer ik dat dit nooit kan kloppen. "Met twee magneetjes in je voorwiel zeker?" denk ik. Gelukkig weet ik deze gedachte te onderdrukken en breng het gesprek naar een ander onderwerp.

"Vroeger, hè, maar ja, toen was ik nog jong, hè? Vroeger dan fietste ik de Alpe d’Huez op, en dan ging ik in de eerste meters staan op de pedalen, en dan ging ik niet meer zitten ook, hè. Mwoah, half uur was ik toch wel boven. Maar dat kan ik niet meer, hoor. Hartproblemen, weet je wel. Maar ik fiets nog steeds veel in de bergen, maar wel rustiger aan, hè?". Tegenover mij staat een man, ik schat zijn leeftijd op een jaar of 70. Zijn verder tengere postuur verraadt, zo rond zijn middel, dat het fietsen ten gunste van de andere geneugten des levens veelal beperkt blijft tot de vakanties. Ik ben op vakantie met mijn vader in de Alpen, we staan aan de voet van de Alpe d’Huez. De berg omhoogkijkend denk ik: "Zelfs Lance Armstrong heeft meer dan een half uur werk om boven te komen, dat verhaal klopt dus nooit!" maar gelukkig weet ik ook nu mijn gedachten te onderdrukken en het onderwerp van gesprek te veranderen.

Nu wil het geval dat beide heren uit een deel van ons land komen, waarvan ik geleerd heb dat er mensen tussen zitten waarbij je het vertelde soms met een flinke korrel zout moet nemen, maar bij deze verhalen is de geloofwaardigheid volledig zoek. Beide verhalen zijn natuurlijk onvervalste gevallen van wielerslatijn. Waar vroeger de vissers in visserslatijn vertelden over de grootte en de hoeveelheid van hun vangst, is het nu de beurt aan de gladbenige fietser om de waarheid aan te dikken. Zo ken ik inmiddels niemand meer die gemiddeldes rijdt onder de 30 per uur, fietst menigeen minimaal 10.000 kilometer per jaar, lopen bizarre valpartijen ogenschijnlijk zonder schadelijke fysieke gevolgen af en weet men ongekende financiële voordelen te behalen bij een bezoek aan de fietsenmaker. Daarbij schijnen de onbehaaglijkheden, zoals kramp tijdens het fietsen, blessures, lekke banden, belabberde weersomstandigheden en haperend materiaal uitsluitend aan mijzelf voorbehouden. Het wielergeluk kent schijnbaar geen grenzen.

Ik betrap mijzelf er ook wel eens op. Als ik na een zware training, door regen, wind en kou mijn gegevens analyseer, schrijf ik soms op: "Lekkere training, weersomstandigheden waren nog redelijk." Ik weet dan op dat moment dat het niet waar is, maar mijn gevoel strookt dan toch precies met de woorden die ik op papier zet. Tijdens het opwarmen onder de douche, worden namelijk ook mijn herinneringen opgewarmd, waarbij de motivatie voor een nieuwe training wordt aangewakkerd. Gevoelsmatig heb ik dan een lekkere training achter de rug, en het is aan de registratie van mijn kilometerteller te danken dat ik mijn gemiddelde niet met enkele kilometers per uur opschroef. Progressie is tenslotte de basis voor motivatie en vice versa. Voor je het weet, beweer je zonder blikken of blozen dat je 18.000 kilometer per jaar fietst, of dat je feilloos de Alpe d’Huez elke keer binnen de 30 minuten beklimt. Het lijkt er dus op, dat het wielerslatijn ons met de bidon wordt ingegoten.

Goed gereedschap

Goed gereedschap is het halve werk, dat is een feit. Wie ooit wel eens reparaties heeft geprobeerd uit te voeren aan zijn of haar fiets, weet dat dit spreekwoord (of is het een gezegde?) zonder meer waar is. Nu zal de gemiddelde gereedschapskist van de fietser thuis wel voorzien zijn van het hoognodige als een imbussetje, een kettingpons of zelfs een kransafnemer, maar de problemen ontstaan als de reparaties onderweg uitgevoerd moeten worden. Bij sommige wielrenners is het namelijk ‘not done’ om aan de racefiets, waar eerder een klein kapitaal aan is uitgegeven om hem maar zo licht mogelijk te maken, een goedgevulde zadeltas te hangen, waardoor de meeste van de onderweg mogelijke reparaties uitgevoerd kunnen worden. Voor hen is het een geluk dat het materiaal de afgelopen decennia een goede ontwikkeling heeft doorgemaakt, waardoor ‘pech onderweg’ nauwelijks meer voorkomt. Nauwelijks.

Tijdens Parijs-Roubaix, in 2001, op één van de vele kasseienstroken tref ik een Fransoos die lopend verder gaat. Zijn fiets aan de rechterhand, in de vet geworden linkerhand draagt hij een gebroken fietsketting. Het oude materiaal heeft het begeven op het zware parcours. Ik stop en leen hem mijn kettingpons. Na een vijftal minuten sleutelen vervolgt hij dankbaar zijn weg. "Est-ce qu’il ya personne avec une dérive chaîne?" Tijdens de Marmotte 2005 zijn we nauwelijks begonnen aan de eerste klim van de dag, als een Fransman wanhopig een kettingpons bevraagt bij één van de vele wielrenners die passeren, om zijn zojuist gebroken ketting te kunnen maken. Het lijkt exotisch materiaal waar hij op rijdt, zeker niet goedkoop maar blijkbaar is dat geen garantie om zonder problemen een tocht te kunnen fietsen. Ik denk even na, maar weet dat ik nu mijn kettingpons niet bij me heb en rij dus door, in de hoop dat mijn ketting het die dag gaat houden, want ik weet dat ik zonder kettingpons een ketting nooit weer zal kunnen klinken, zo ervoer ik ooit tijdens een trainingsrit. Toen was ik niet ver van huis, maar wel te ver om terug te lopen. Een zoektocht in een dorpje leidde mij naar een voormalig fietsenmaker die het geheel weer rijklaar maakte, maar ik moet er niet aan denken dat het me was gebeurd ergens halverwege de Marmotte. Gelukkig hield mijn ketting het die dag.

Je hoeft onderweg geen ingewikkelde reparaties uit te moeten voeren, om verlegen te zijn met goed gereedschap. Een simpele lekke achterband van mijn mountainbike bracht me ooit in de problemen, toen de te lichte Simson-bandenlichters niet opgewassen bleken tegen de stugge mountainbikebanden. Ik had dat jaar een nieuwe fiets en bij mijn vorige kon ik de band praktisch zonder gereedschap verwisselen. Bij deze bleek dat een lastiger verhaal en toen ik ergens in de Franse Alpen mijn derde en laatste bandenlichter zag breken wist ik dat ik een probleem had. Ik ging op zoek naar alternatieven, iets in de vorm van metaal maar vond niets. Uiteindelijk lukte het me om met drie halve bandenlichters en veel getier de band van de velg te lichten. Diezelfde dag nog schafte ik bij de plaatselijke fietsenmaker goede exemplaren aan, die ik overigens nog steeds heb.

Zonder goed gereedschap op pad gaan is dus onverstandig. Nog onverstandiger wordt het om helemaal zonder reserve- en reparatiemateriaal op pad te gaan. Als je dat steevast doet, dan komen vanzelf Murphy en zijn wet opdagen en kom je ooit langs de kant van de weg te staan zonder dat je verder kan. La Ventoux is een klimcylo en dus zullen de meesten zo licht mogelijk op pad willen gaan. Ook mijn materiaal is zo licht mogelijk, maar door ervaring rijker geworden, was mijn zadeltas die dag niet leeg. Die paar honderd gram extra wegen nu eenmaal niet op tegen het tijdsverlies van het zonder materiaal komen te staan. Pijnlijk duidelijk werd het in de eerste beklimming van de Ventoux, waar een Italiaan zijn zijn fiets in de berm had gegooid en langs de kant stond met zijn achterwiel in de hand in de lucht gestoken, onderwijl iets in het Italiaans roepend. Mijn Italiaans is niet zo best, maar ik onderscheidde iets van het woord "Tube", waardoor het me duidelijk werd dat hij een binnenband wilde. Hij had het gegokt en verloren: geprobeerd zo licht mogelijk op pad te gaan om daardoor kostbare secondes te kunnen winnen. Hij verloor heel veel minuten, want niemand in de passerende groep, waarvan het meerendeel wél goed voorzien was, maakte aanstalten om te stoppen en een bandje te geven. Een eenvoudige binnenband en een stel bandenlichters behoren tot de minimale uitrusting van de cyclosportieve rijder, omdat er geen pak volgauto’s achteraan rijden die je in no time weer op weg helpen. Hij leerde die dag dat goed gereedschap het halve werk is. "L’outiel fait le bon ouvrier", zouden de Fransen zeggen, maar wat dat in het Italiaans is? Wie het weet mag het zeggen.

Senioren op het fietspad

Mijn favoriete dag om te fietsen is de zondag, en dan bij voorkeur ‘s ochtends niet al te laat. Onder een lichtblauwe lucht, met een klimmende zon die de omgeving langzaam maar zeker verwarmt tot een aangenaam niveau. Op zondag doe ik het liefst een rustige duurtraining, minimaal een uurtje of drie, maar ook het dubbele hiervan kan zomaar gebeuren. Het tempo waarmee ik dan fiets kan ik gevoelsmatig dagen volhouden. Zonder afzien zie je, voel je, hoor je, ruik je en ervaar je zoveel meer van alles wat er om je heen gebeurt, en dus geniet ik altijd met de klassieke volle teugen. Naast het feit dat deze ritten fijn zijn om te doen, zijn ze ook nog bijzonder nuttig voor het opbouwen van je basisconditie. Eén en al lof dus, of zijn er ook nog minder leuke zaken aan deze lange rondrit op de zonnige zondagmorgen?

Meestal begint het goed, dan is het nog te vroeg. Zodra het echter wat warmer wordt, en de tijd vordert, komen ze, vanuit het niets, overal vandaan. Na elke bocht lijken het er meer te worden, ze fietsen twee-aan-twee, hij op de linkerweghelft, zij op de rechter met precies 30 centimeter voorsprong. Ondanks de aanwezigheid van het lichte aluminium als framemateriaal, een geijkte snelheidsmeter en veelal zelfs een schakelsysteem van 7 versnellingen of meer ontbreekt het ze aan elke vorm van snelheid. Dagvulling lijkt voor hen de belangrijkste bezigheid te zijn, waarbij het ophouden van overige en snellere (in hun geval dus bijna alle) weggebruikers, tot hoofdactiviteit is verheven. Als ik ze wil passeren, probeer ik met enkele luide "klings" van mijn bel de aandacht te trekken. Als ik geluk heb, hoort zij het, na de vierde keer, waarbij ze eerst rustig omkijkt om te zien wat er aan de hand is, terwijl ik inmiddels het achterwiel van hem heb bereikt. Na wat heen-en-weer gepraat tussen hem en haar duurt het dan enkele ogenblikken alvorens ze achter elkaar gaan fietsen. Met pijn en moeite pers ik er dan een bedankje uit als ik hen voorbij rijdt, op weg naar het volgende bejaardenstel. Overigens heb ik gemerkt dat het niet uitmaakt hoe breed het fietspad is. Door het strategisch innemen van de positie op de weg, wordt elke achteropkomende rijder gedwongen te wachten tot het hen blieft dat je er langs mag. Zou het een afspraak zijn tussen de bejaarden onderling? Op de bingoclub, op woensdagmiddag, dat op een white board wegsituaties worden doorgesproken? Strategisch die plaats op de weg innemen die zeker zorgt voor het meeste oponthoud? Die gedachte schiet door mijn hoofd als het ritueel opnieuw begint en ik weer moet afremmen.

Goed, bejaarden zijn dus lastig op een fietspad als je ze wilt passeren. Écht vervelend wordt het als ze je dingen gaan naroepen, of nog erger: dingen gaan vragen. Van een groep schoolkinderen kan ik het, meestal, wel hebben. Zij bevinden zich in een puberale fase en moeten zich dus tegen alles afzetten en zijn daardoor gedwongen mij iets na te roepen. Dat is instinct, daar doen zij niets aan, en ik dus ook niet. Bejaarden zijn deze periode toch al even voorbij, en zouden dan toch beter moeten weten? "Mooi weer om te fietsen, of niet jong?", hoor ik haar zeggen als ik moet wachten tot hij heeft afgeremd en achter haar gaat fietsen. Belangrijk voor mij is dan om niet in paniek te raken, en zeker geen antwoord te geven waar ze iets mee kunnen. "Jazeker", is een antwoord waar ik meestal mee weg kom. Waar ik niet mee weg kom is een antwoord als "Heerlijk, of niet?" Dan heb ik namelijk een wedervraag gesteld en gaat het lang duren. Het verhaal begint dan meestal met de zomers van vroeger die veel beter waren, en eindigt uiteindelijk steevast met het zich beklagen over het asociale weggedrag van medeweggebruikers van heden ten dage, en dan in het bijzonder de racefietser. Als zij hem vervolgens aankijkt en een zin begint met "Weet je nog van vroeger…", weet ik genoeg en is het einde beleefdheid. Bij de eerste beste ontsnappingsmogelijkheid trap ik met een verzuchtende blik bij hen vandaan, onder het verstommende gemompel van "de jeugd van tegenwoordig." In de verte doemt dan alweer het volgende stel vóór mij op…

Senioren_op_de_fiets

Noordoost-Friesland en Noord-Groningen met hun lange onbeschutte wegen bieden volop ruimte voor wielervertier. Het is te ver voor de bejaarden om te bevolken en mochten ze er ooit wel verdwalen, dan zorgt de immer aanwezig wind wel voor een natuurlijke selectie. De wegen zijn net breed genoeg, zodat er altijd wel ruimte is voor mij om te passeren. Hier kan ik genieten van weidse vergezichten en diverse flora en fauna over rustige wegen van goede kwaliteit. Daar fietsen lijkt het summum voor de wielertoerist, maar ook hier kent het genot z’n grenzen. Het gaat namelijk goed tot ik de eerste contouren zie van bebouwing en over de smalle klinkerweggetjes door de bebouwde kom fiets. Bij het eerste café, met z’n allen, kriskras over de weg verspreid zijn ze er weer, en zeker niet van plan om mij zonder slag of stoot te laten passeren. De geur van Eau-de-Cologne ("odeklonje"), het spervuur aan vragen en opmerkingen, de niet wijkende bepakjedragerde fietsen. De grens is bereikt als één van hen een hand op mijn arm legt en me zegt "me toch niet zo druk te maken". Ik breek, zet de fiets tegen de eerst de beste boom en bel het thuisfront om me op te halen: "Ik kan niet verder". "Ben je gevallen, heb je pech?" "Nee, veel erger, ik ben weer eens lastig gevallen door bejaarden."